zondag 20 december 2015

Het kammetje


Ik ben me er terdege van bewust dat ik kalende ben, maar het is nog niet zo erg als met mijn schoolvriend Danny. Als je er vroeger een weddenschap over had mogen afsluiten, dan zou iedereen fout hebben gegokt. Ik had vlassig haar en was genetisch voorbestemd om op mijn dertigste kaal te zijn. Danny daarentegen had vol bruin krulhaar: hij kon met gemak een afro laten groeien. Niet dat hij dat deed: zelfs in de nadagen van het hippie-tijdperk droeg hij een degelijk kapsel.
Zo'n kapsel vraagt enig onderhoud. Met de tent op vakantie merkte ik voor het eerst dat Danny zijn haar nog eens borstelde voor het slapen gaan. Ik vroeg hem waarom hij dat deed? Wilde hij er in zijn dromen goed uitzien ofzo? Ik kreeg als antwoord dat het ongemakkelijk lag met klitten in je haar.
Als er een schoolfeestje was, gingen wij eerst wat indrinken. Niet dat dat veel voorstelde, want wij stonden als zestienjarigen na één biertje al op ons kop. Dat biertje werd genoten in café De Waal, aan de voet van de grote kerk van Vlaardingen. Danny besloot op zeker moment te gaan afrekenen en liep met zijn portefeuille naar de bar. Op krukken zaten daar de oudere beroepsdrinkers. Danny stelde zich tussen twee krukken op en vouwde zijn portefeuille open. Daar bewaarde hij ook een kammetje voor zijn moeilijke haar. Eén van de vaste klanten, een magere zestiger, liet zijn waterig oog op de portefeuille vallen en vroeg met licht dubbele tong: "Kam jij je geld?"
Die opmerking was even stompzinnig als briljant. Het was tegelijk ad rem en absurd, bezopen èn hilarisch. Als je er over na ging denken, groeide het uit tot filosofische proporties: "Kam jij je geld?"
De vraag is me tot op de dag van vandaag bijgebleven en wordt thuis nog altijd op gedragen toon geciteerd om het genie van een zuiplap te typeren. Het jammere is dat Dan zich van het hele voorval niets meer kan herinneren.

zondag 30 augustus 2015

Harrison Julivian


Als kersverse hoogleraar sta je natuurlijk in de belangstelling. Zo ook in die van Harrison Julivian. Blijkens de foto's op Facebook een niet onknappe vrouw. Wel een wat vreemde naam: mogelijk versleuteld van Julia Harrison. Ze wilde dus Facebookvrienden met me worden. Ik zag in haar profiel al een andere bekende van me staan, dus ik vertrouwde het wel. Bovendien, wat kan je gebeuren? Dus ik accepteerde haar.
Even later hing Harrison Julivian aan de Messenger:

Harrison Julivian
Je bent bevriend op Facebook
Zelfstandig
Studeerde aan New York University
47 minuten geleden

HJ: Hi there



TM: hi

HJ: How are you doing??

TM: fine, how about you?

HJ: Ooh great too
HJ: Nice to meet you as my friend

TM: likewise
TM: your name doesn't ring a bell - did we meet before?

HJ: No I don't think but I am a new person here and I came and cross your name that is why I have added you as my friend

TM: Okay
TM: What did you stidy?
TM: study*

HJ: So where do you come from??

TM: The Netherlands - what did you study in NY?

HJ: Yes
HJ: Are you a single
HJ: How old are you??

TM: wrong questions, dear. I'm going to block you.


De vraag naar haar studie maakte haar ongemakkelijk, dat bleek ook uit de pauzes die vielen. Zij (hij?) had waarschijnlijk helemaal niets gestudeerd, en kon blijkbaar niet met een moeilijke studie aankomen waar ik niets van wist. Een voor de hand liggende studie noemen zou ook tricky zijn. Stel, ze had anthropology genoemd, dan zou ik doorgegaan zijn op de 'rites de passage' van Arnold van Gennep. (Ooit beweerde iemand eens op het gymnasium te hebben gezeten, maar de eerste persoon enkelvoud van het Latijnse werkwoord "volare" wist ze niet - ik kan in online chat zo'n valse nicht zijn).
Harrison was duidelijk uit op een wat jongere buitenlandse vrijgezel, een sukkel waarschijnlijk, die haar geld zou sturen als ze aan de grond zat. Misschien ook wel om tattoos voor de camera te tonen. Nou, dat kan, kijk maar:

















DOH!!

donderdag 27 augustus 2015

WC poeem


Leiden, introductieweek: het was al ver na vijven;
op de WC hing een stift om op de muur te schrijven:

“Een ondeugend briesje blies onder haar rok
en gaf haar bloot tot aan haar jarretelletje
Een dronken vent die stond te pissen schrok
en trok z'n rits muurvast in zijn velletje.”

Menig student las jarenlang dit fraai poeem met schik
En nu mijn vriend, nu weet gij dan, de dichter dat was ik.

zondag 17 mei 2015

Bitterballen met appelsap

Voor ons uit rijdt een klein grijs wijffie in een rolstoel. Alhoewel alle vrouwtjes op de afdeling zo'n beetje hetzelfde grijze jaren dertig permanentje hebben, herken ik mijn moeder.
We halen haar in en ik vraag: “Waar ging je heen?”
“Hé!” grijnst ze. Ze is de laatste tijd wel blij om ons weer te zien.
Ze heeft een catheter gekregen en er hangt een zak gele urine aan haar rolstoel.
De zak ruikt gelukkig niet.
“Zullen we naar beneden gaan, naar de kantine?”
Ik keer haar rolstoel.
“Maar ik heb geen jas bij me.”
“We hoeven niet naar buiten,” zeg ik geruststellend, zoals bij ieder bezoek.
Beneden gekomen neemt mijn vrouw koffie met gebak. Mijn moeder wil dan gebak en appelsap. Ik neem een biertje, en bestel nog een bordje patat met mayonnaise, en een portie bitterballen – niet louter voor mezelf.
Het besef dat je gebak met een vorkje eet om je vingers schoon te houden is enkele maanden geleden van mijn moeder heengegaan.
“Ja, hoe zal ik die nu eens slachten?” zegt ze, kijkend naar het gebakje.
“Net zo je wil,” zeg ik.
Het was ermee begonnen dat ze met het vorkje een stukje taart afsneed, en dan met de vingers het stukje op het vorkje zette en dat dan weer van het vorkje at. Maar het stukje taart viel halverwege steeds vaker van het bibberende vorkje in haar schoot. Dan moest ze het alsnog met de hand uit haar schoot eten. Dus het leek me veel efficiënter om het gebak meteen uit de hand te eten, en dat deed ze de laatste tijd steeds vaker.
Maar dit keer werd het weer met het vorkje geprobeerd.
Halverwege het gebakje zei ze: “Ik krijg het niet op; het is veel te veel.”
“De rest eet Mereie wel op,” zei ik.
En inderdaad werkte mijn vrouw vakkundig anderhalf gebakje naar binnen, tot bewondering van mijn moeder.
Een jongen kwam nu de versgebakken patat brengen en de bitterballen.
“Ik pik een patatje”, zei mijn moeder.
“Ik dacht dat je vol zat.”
Mijn moeder grijnsde. Ze nam een tweede patatje.
“Net kon je je gebakje niet meer op,” probeerde ik nog eens plagerig.
“Het ruikt zo lekker,” zei mijn moeder: “en het is hartig.”
Ze zweeg en at. Ze doopte weer een patatje in de mayonaise en beet de helft af. Toen ze de rest van het patatje weer door de mayo wilde halen, weerde ik haar af: “Niet dubbel dippen.”
Ze gehoorzaamde, maar eigenlijk was het voor haar een onbekend concept. Vroeger waren mensen niet vies van elkaar. Iedereen haalde toen bij elke hap zijn haring door dezelfde bak uitjes. En niemand ging daar dood van.
“Aanstaande donderdag...” begon ik.
“Hèèè?”
Ah, de doofheid sloeg weer toe.
Ik herhaalde langzamer en gearticuleerder: “Aan-staan-de don-der-dag vliegen we naar Amerika. Voor een congres en vakantie. Dan zijn we twee weken weg. En dan komen we over drie weken pas weer langs. Snap je?”
Mijn moeder knikte.
“Ik zal het straks nog wel eens zeggen.”
Mijn moeder dronk van haar appelsap, en bleef vrolijk meeëten van de patat en de bitterballen. Alleen werden de bitterballen nu in de mayo gedoopt en de patat in de mosterd.
Na vijf minuten vroeg ik: “Weet je nog wat we gaan doen donderdag?”
“Nee,” zei mijn moeder.
En ik legde weer uit dat we naar Amerika gingen.
Nog eens vijf minuten later vroeg ik het weer.
“Ja, jullie gaan naar Frankrijk.” zei mijn moeder.
“Nee, naar Amerika: 12 uur in het vliegtuig.”
Tijd en afstand zeiden mijn moeder weinig meer.
“Ik ben helemaal dronken van die wijn,” zei mijn moeder tenslotte.
“Je had geen wijn, je had appelsap.”
“Ik tril helemaal, ik kan niet meer op mijn benen staan.”
“Dat is zo gek niet, want je zit al meer dan een jaar in een rolstoel.”
“Kan ik niet meer lopen?”
“Nee.”
“Hoe komt dat?”
“Je hebt allebei je heupen gebroken. En je had geen zin in fysiotherapie.”
“Oh? Maar ik moet nu toch echt plassen hoor.”
“Dat gaat vanzelf; je hebt een catheter. Maar we gaan je wel weer naar boven brengen. Het wordt tijd voor het avondeten.”
“Ik ben helemaal dronken van die wijn; helemaal duizelig.”
Boven vraagt de verzorgster om stilte want mevrouw Krommenhoek mag voorbidden. Zo dement als ze is, het “Onze Vader” komt er foutloos uitrollen.
“Amen,” roept een enkeling aan het eind.
“Ik ben helemaal dronken.” zegt mijn moeder nog eens en we nemen afscheid.
“Vijftig weken per jaar zijn we in Nederland,” zeg ik narrig als we over de gang weglopen: “Als die ouwe in die twee weken dat we weg zijn maar geen hersenbloeding ofzo krijgt en het vaantje strijkt...”
Mijn vader was er ook al eens in geslaagd om precies tijdens een congres de stekker eruit te trekken. Letterlijk.