zaterdag 31 december 2011

De Top der Toppen

Het eerste singletje dat ik ooit kocht: Bohemian Rhapsody in 1975, meteen nadat het op de radio te horen was geweest.

1. Queen: Bohemian Rhapsody (1975)
2. Eagles: Hotel California (1977)
3. Deep Purple: Child in Time (1970)
4. Boudewijn de Groot: Avond (1997, oorspr. 1973)
5. Led Zeppelin: Stairway to Heaven (1971)
6. Adele: Someone Like You (2011)
7. Pink Floyd: Wish You Were Here (1975)
8. Coldplay: Clocks (2003)
9. Coldplay: Viva la Vida (2008)
10. Bruce Springsteen: The River (1980)

Uit de hoogst genoteerde popsongs uit de Top 2000 van 2011 valt een aantal conclusies te trekken, zoals:
- Een tophit kan nog altijd beter in het Engels dan in het Nederlands zijn
- De meest memorabele popmuziek werd in de jaren ’70 gemaakt
- Creatieve nummers kennen regelmatig een wisseling in tempo en/of melodie.
Wat echt opvalt aan de lijst is dat de meeste teksten NIET over de liefde gaan. Het lied van Boudewijn de Groot gaat het duidelijkst wèl over de liefde, de song van Adele gaat min of meer over een verloren liefde. Het lied van Springsteen is eerder een life story dan een love story. Voor alle andere nummers geldt zeker: dit gaat niet over de liefde maar over iets anders. Het tweede dat opvalt is echter het cryptische karakter van de songteksten, want waar gaan nu met name Viva la Vida, Wish You Were Here, Stairway to Heaven, Child in Time, Hotel California en Bohemian Rhapsody over? Niet ongeveer, maar precies?
Waar de songs precies over gaan, daar worden soms uitvoerige discussies over gevoerd. Gaat Child in Time over het dochtertje van Ian Gillan dat door een blinde gek was doodgeschoten? Wat voor hotel is dat Hotel California eigenlijk? Ik heb dit nummer jaren gehoord zonder bewust naar de tekst te luisteren: ik dacht gewoon een vrolijk liedje over een hotel. Luisteren de meeste Nederlanders zo oppervlakkig als ik naar een Engelstalig lied? Had het lied net zo goed in het Italiaans kunnen zijn, of had de zanger net zo goed lalala kunnen zingen? Gaat het de Nederlanders meer om de melodie dan de tekst? Ik denk het eerlijk gezegd niet. We accepteren niet alleen dat een songtekst enigszins duister is, we kunnen het ook erg waarderen. Toen ik eenmaal beter naar Hotel California ging luisteren, raakte ik ervan overtuigd dat het over een spookhotel ging. Het hotel werd bewoond door geesten. Je komt er te wonen, als je overleden bent: “You can checkout any time you like, But you can never leave!” In werkelijkheid is Hotel California echter een commentaar op de Amerikaanse muziekindustrie in de jaren zeventig: het was een komen en gaan van artiesten in Californië (Los Angeles, Hollywood), de staat leek wel een groot hotel. Over die context-informatie moet je wel kunnen beschikken, om het lied goed te kunnen interpreteren.
Viva la Vida gaat in het algemeen over machtswisselingen: over de koning die zijn troon verliest en over revolutionairen. De tekst heeft opvallend veel referenties naar de Bijbel en het christendom. Wish You Were Here gaat over het verlies van vriend en bandlid Syd Barrett, de briljante zanger en componist die langzaam wegzakte in psychoses. Over het verlies van Syd Barrett gaan ook andere songs van Pink Floyd: Dark Side of the Moon en Shine On You Crazy Diamond. Child in Time van Deep Purple is een anti-oorlogssong, meer specifiek gericht tegen de Vietnamoorlog. Stairway To Heaven heeft behoorlijk cryptische lyrics, maar het komt er in elk geval op neer dat een materialistische vrouw er achter komt dat ze zichzelf geen trap naar de hemel kan kopen.
Een veelbesproken raadselachtige songtekst is die van Bohemian Rhapsody. Het is duidelijk dat het verhaal begint met een misdaad: de spreker heeft iemand doodgeschoten. Het is echter al niet zeker of deze moord letterlijk of metaforisch bedoeld is. Wat er hierna allemaal gebeurt, is onzeker. Wordt de misdadiger gevangen, wordt hij ter dood veroordeeld en ontbrandt er een strijd over de vraag of hij naar de hemel of de hel gaat? Zijn de duivels en goden die strijden om zijn ziel visioenen of realiteit? Welke rollen spelen hier Scaramouche, Galileo, Figaro, Bismilah en Beelzebub precies? Zanger Freddy Mercury heeft regelmatig geantwoord dat het om een scherts-opera gaat en dat de woorden vooral op de klank waren geselecteerd: men moet er helemaal geen precieze betekenis in willen zien.

zaterdag 19 november 2011

Was je maar hier



(naar Pink Floyd)

Zo, dus jij denkt dat je weet,
Weet wat je ziet?
Hemel of niet?
Zie je wel het verschil
Tussen een berg en een buik,
Een lach en een smuik?
Zie je echt dat verschil?

En gaven zij je een keus
Tussen ster en schim,
Rode lava en groen,
Mistral en limoen?
De troost is vervuild...
En heb je geruild
Een bijrol zeer van belang
Voor een hoofdrol in't gevang?

Was je maar, was je verdomme maar hier.
Onze geesten gaan rond,
Zwemmen rond in een kom,
Achter elkaar...
Nieuwe wegen wel allerminst.
Wat is de winst?
't Zelfde geschmier...
Was je maar hier.

vrijdag 30 september 2011

Sibling rivalry


Landgoed De Kemphaan in Almere is een kruising tussen een boerenbedrijf en een park voor natuurrecreatie. In de zonnige nazomer was het licht ideaal om te fotograferen, dus ik besloot om een stukje over De Kemphaan te wandelen. Maar het wilde vooralsnog niet vlotten met de foto's. De zwanen in de vijver zwommen niet verliefd dicht bij elkaar. De zon liet geen regenboog in de fontein vallen. De apen bij Stichting Aap zaten dodelijk verveeld voor zich uit te koekeloeren, en de grootste van het stel liet gemelijk zijn pik uit zijn broek hangen. Het oogstfeest dat even verderop gaande was, diende ontlopen te worden vanwege een overschot aan politiek correcte bejaarden. Maar toen ontdekte ik even verderop de bloeiende struiken waar de vlinders op afkwamen. Ze bleven net lang genoeg zitten om close-up foto's te nemen, prachtig van kleur.
Na een half uurtje liep ik tevreden met een omweggetje terug naar de auto. In de buurt van de kinderboerderij zag ik het gezinnetje waar er ook zoveel van rondliepen hier. Ma zat op een bankje naar de dieren te kijken. De oudste dochter van een jaartje of zes probeerde met een veilig hek ertussen de bokken te intimideren met schijnaanvallen en plotse schreeuwen. Ma reageerde niet op het schaduwgetreiter. Even verderop was pa de jongere dochter behulpzaam. Met een lange stok duwde hij tegen hoge boomtakken, zodat rijpe appels naar de grond bonkten. Het dochtertje van een jaartje of drie stond er een tikje onnozel naar te kijken, en piepte sip: "Ze zijn niet rood".


Als door een wesp gestoken rende de oudste dochter ineens naar pa en zusje en riep alsof ze geen tegenspraak duldde: "Ik heb veel mooiere zien hangen."
En ik dacht onwillekeurig: nee, kreng, je hebt helemaal niks zien hangen. Je kunt het alleen maar niet uitstaan dat je kleine zus exclusieve aandacht van je vader krijgt, en je breekt nu in om aandacht voor jezelf op te eisen.
Maar ik geloof niet dat pa het merkte. Dat krijg je als je de vader bent van twee prinsesjes.

woensdag 7 september 2011

De loper



Opeens zag ik hem daar liggen, in al zijn eenvoud, tussen allerlei andere uit de tijd geraakte voorwerpjes: de loper. Toen ik hem aan mijn kinderen liet zien, snapten ze niet goed wat het was. Bij het terugzien van de loper kreeg ik het gevoel dat het een symbool was geworden van ouderwetse geborgenheid en veiligheid. De loper had nog een functie in de jaren dat ik een kind was. Het eerste tiental jaar van mijn leven woonden we in de Stationsstraat in een bovenwoning in hartje Vlaardingen. Op alle voordeuren in de straat zat slechts één slot. Niemand had extra sloten, kettingen, dievenklauwen of een inbraakalarm. Op de sloten pasten een robuust soort sleutels, die leken op de loper, maar dan hadden ze baarden. Elke sleutel was anders. Maar de loper paste op alle sloten. Die had geen baard, of eigenlijk alle baarden bij elkaar: zo simpel was dat. Zo’n sleutel paste op alle sloten in de straat. En de straat links van ons. En de straat rechts van ons. De huisbaas hoefde maar één sleutel te hebben om in alle huizen te kunnen: één loper. Niet dat hij ooit zomaar een huis inging. Maar als iemand z’n sleutel verloren had, dan kon de huisbaas de deur openmaken met de loper. Toen ik er onlangs zo naar keek, realiseerde ik me: het is de simpelste sleutel van allemaal. Eenvoudig te verkrijgen bij de slotenmaker. Eigenlijk was de loper gewoon de sjabloon waar de slotenmaker baarden in zaagde om individuele sleutels te maken. Als je een inbreker was, had je met die ene loper huis na huis naar binnen gekund zonder braakschade. Zo kinderlijk eenvoudig was het toen. Maar het gebeurde niet. De deuren gingen veilig op slot met een robuuste sleutel met een baard. Ook al konden met die simpele loper alle sloten straat voor straat geopend worden, niemand deed het. Het gebeurde niet. Zoiets deed je niet. Het was verboden. Door de politie, en de gemeente, en volgens sommigen ook de Here Jezus. Bovendien… wat viel er nou in 1965 te halen uit een bovenwoning in hartje Vlaardingen?

woensdag 31 augustus 2011

The Village


Er zijn veel films die voor een onderzoeker van volksverhalen de moeite waard zijn om te zien, maar er is één film waaraan ik desnoods een werkcollege zou kunnen wijden: The Village (2004) van M. Night Shyamalan, de maker van films als The Happening, Signs en The Sixth Sense.

Een schijnbaar idyllisch, traditioneel Amerikaans dorp wordt aan alle kanten omgeven door bos, en daar ligt een duidelijke grens die in allerlei verhalen aangehaald wordt. De basisregel in de verhalen luidt telkens: als wij het bos niet ingaan om de monsters uit te dagen, dan komen de monsters het dorp niet in om ons te doden. Ze worden niet letterlijk monsters genoemd, maar benoemd met hun taboenaam: “Those We Don’t Speak Of”. De film laat heel goed zien hoe er binnen de gemeenschap een religie - met rituelen, taboes, ouderlingen en durfspelletjes - is gegroeid en hoe het geloof (en de angst) onderling met verhalen in stand wordt gehouden. Op een dag besluit een blind roodharig meisje echter de regels te overtreden, en het bos te doorkruisen op zoek naar medicijnen voor haar gewonde lief. Niet zonder vrees, maar vastberaden treedt dit Geelkapje (geel is veilig, rood is taboe en trekt de monsters aan) de bloeddorstige 'wolf' tegemoet. Meer kan ik er nu niet over zeggen zonder de kijkervaring te bederven.

dinsdag 26 april 2011

Emo rice

Op internationale academische congressen is de voertaal doorgaans Engels. Britten, Ieren, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Canadezen en Amerikanen zijn daarbij vaak in het voordeel, want zij zijn meestal native speakers. Amerikanen hebben nog een extra voordeel. Zij leren in hun schoolopleiding om een goede presentatie te geven: duidelijk gesproken, helder opgebouwd, begrijpelijk voor iedereen, niet langer dan toegestaan, precies zoals je het zou wensen.
In de rest van de wereld schijnt men daarentegen te denken: als je een goede academische onderzoeker bent, dan zal je ook wel goed zijn in Engels en in het openbaar spreken. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger: Johan Cruyff mag een briljant voetballer zijn, maar daarmee is hij nog geen excellent coach. Onderzoekers zijn niet per definitie goede presentators in het Engels.
Zo heb je natuurlijk de geijkte piepmuizende vrouwen en de monotoon brommende mannen, beiden even onverstaanbaar. Maar zelfs als er voldoende volume en enige dictie aanwezig is, kan het nog behoorlijk mis gaan. Zodra een ‘non-native speaker’ in de eerste paar zinnen in het Engels al begint over “develópment” in plaats van “devélopment” dan voorspelt dat zelden veel goeds. Dan ben je meestal een hele lezing lang tegen de klippen op bezig met hervertalen en herinterpreteren:

1. Wat zegt de spreker? (Oftewel: wat hoor ik?)
2. Wat wil hij eigenlijk zeggen? (Oftewel: wat zou ik móeten horen?)
3. En wat heeft dat te betekenen? (Oftewel: waar gaat de lezing nou éigenlijk over?)

Zodra je uit de eerste kromme zin bent, heb je de twee volgende alweer gemist, en begint de spreker aan zijn vierde kromzin. Heeft de spreker het over “low” dan bedoelt hij waarschijnlijk “law”, hoor je “bitch” dan is dat eigenlijk “beach”, het woord “valley” moet je mogelijk begrijpen als “value”, en hoor je “emo rice” dan zal dat hoogstwaarschijnlijk “animal rights” moeten zijn. Het zijn heus niet alleen Aziaten die zich hieraan bezondigen, want ook Zwitsers, Fransen, Italianen, Roemenen, Letten, Russen, Portugezen, Mexicanen en Brazilianen spreken soms heel beroerd Engels.
Zo gaan vele lezingen op academische congressen in feite verloren omdat de voordracht op de één of andere manier onverstaanbaar is als gevolg van de presentatie van de spreker. Dat het publiek na tien minuten niet massaal de zaal uitloopt, is louter een kwestie van beleefdheid en zelfonderschatting. Mensen blijven zitten omdat ze denken: “Het zal wel aan mij liggen dat ik het niet versta”, maar dat is niet waar: bij navraag blijkt na afloop niemand het te hebben verstaan. En dat terwijl er wereldwijd van academici verlangd wordt dat ze deelnemen aan het internationale debat, en dat ze Engelse artikelen publiceren in peer-reviewed internationale A-rated tijdschriften. Die discussie kan alleen op niveau plaatsvinden als we alle wetenschappers – liefst al verplicht in hun opleiding – op cursus sturen: een cursus academisch Engels schrijven en spreken, en een cursus begrijpelijk presenteren op academisch niveau.

Maar aan de andere kant van het spectrum van uiterst vaardige sprekers zit ook een probleem: de gewiekste jargon-gebruikers. Zij gebruiken allerlei omfloerste Engelse termen die hun teksten een uiterst gewichtig aanzien geven. Dit soort taalgebruikers is er ongetwijfeld in allerlei disciplines. In het Nederlandse zakenleven wordt tijdens vergaderingen wel gesproken over “kortsluiten” en “uitrollen”. Wat ze eigenlijk bedoelen, is simpelweg: overleggen en werken. Maar dat laatste klinkt veel te oubollig.
Om de zinnen te verzetten tijdens zulke doodsaaie vergaderingen bedachten mensen ooit de “”. Het was een bingokaart vol modieuze jargonwoorden, en als iemand zo’n woord gebruikte, mocht men die afstrepen op de bingokaart.


Wie als eerste zijn kaart vol had, had gewonnen. Bingo! Of eerder nog: Bullshit!
In de geesteswetenschappen weten sommige sprekers er ook raad mee. Momenteel reuze populair onder sociologen, etnologen en antropologen bijvoorbeeld is het woord “negotiating”. Wat het precies betekent, is niet helemaal duidelijk, want je kan het niet zomaar vertalen met “onderhandelen”. Het gaat eigenlijk vooral om een vorm van onderling strijd leveren om een deel van je gelijk te kunnen halen. Hoe dan ook: wie in deze tak van wetenschap mee wil tellen, moet liefst “negotiating” in zijn titel zetten, en vervolgens in zijn betoog om de vier à vijf zinnen het woord “negotiating” laten vallen, en zo nog wat termen. Noem tenslotte je lezing fundamenteel theoretisch en je kostje is gekocht.
Na recent bezoek aan een dergelijk congres heb ik de volgende etno-bingo opgesteld. Ik zal niet beweren dat het allemaal ‘bullshit’ is… mits met mate en wijselijk gebruikt, kunnen de termen wel degelijk iets duidelijk maken. Maar sommige gewiekste sprekers weten deze begrippen wel erg kwistig door hun teksten te strooien als een vorm van – naar mijn smaak – interessant-doenerij.

woensdag 19 januari 2011

Lorelei


(naar het gedicht Die Lorelei van Heinrich Heine uit 1823)

De Lorelei

Ik weet niet, wat het te betekenen heeft,
Maar ik blijf zo treurig smachten;
Een sage uit oeroude tijden,
Krijg ik maar niet uit mijn gedachten.

De lucht is koel en het schemert,
En rustig stroomt de Rijn;
De top van de berg fonkelt,
In de avondzonneschijn.

De schoonste jonkvrouw zit
Prachtig mooi boven daar;
Haar gouden sieraad blinkt,
Ze kamt haar gouden haar.

Ze kamt het met een gouden kam,
En zingt daarbij een lied,
Dat een overweldigende,
Wonderschone melodie biedt.

De schipper in het kleine scheepje
Grijpt het aan, niet te geloven;
Hij let niet meer op scherpe rotsen,
Hij kijkt alleen nog maar naar boven.

Ik meen, dat in de golven tenslotte
Schipper en schuit zijn vergaan,
En dat heeft, met haar gezang,
De Lorelei gedaan.

zaterdag 15 januari 2011

Broodjes Aap


Communicatie kan tegenwoordig volledig online gebeuren. Via Twitter kreeg ik van Janneke van Wijk de vraag of ze me mocht interviewen over broodjeaapverhalen oftewel urban legends. Ze stuurde de vragen via email op en ik stuurde de antwoorden via email terug. Inmiddels is in het tijdschrift Kunstzone een vraaggesprek met mij verschenen zonder dat Janneke en ik elkaar ooit ontmoet hebben. Het wonder der techniek. Het vraag- en antwoordspel verliep aldus:

Wat zijn de bekendste broodje aap verhalen in Nederland?

Je zou natuurlijk denken het broodjeaapverhaal over het Broodje Aap zelf, maar dat is helemaal niet het geval. Het begrip broodjeaapverhaal (volgens het Groene Boekje moet je het tegenwoordig zo spellen) is in Nederland ontleend aan de titel van het boek dat Ethel Portnoy in 1978 publiceerde: Broodje Aap; de Folklore van de Post-industriële Samenleving. Portnoy woonde toen al een tijdje in Nederland, maar ze is van oorsprong een Amerikaanse, die lang in New York heeft gewoond en ook een tijdje in Parijs. De verhalen die zij vertelt zijn dan ook lang niet allemaal Nederlandse broodjeaapverhalen, maar ook die afkomstig zijn uit de VS. Dat geldt ook voor het titelverhaal 'Broodje Aap': door een aanrijding met een vleeswagen in de New Yorkse wijk de Bronx wordt duidelijk dat er in de hotdogfabriek ook dode dierentuindieren in de hotdogs verwerkt worden. Je denkt een broodje hotdog te eten, maar je hapt misschien wel in een broodje gorilla. Dit verhaal circuleerde destijds nog niet in Nederland (en heeft het hier eigenlijk nooit goed gedaan): wij aten toen nog geen hotdog - dat was nog een uitgesproken Amerikaanse snack. Bij ons circuleerde hoogstens het verhaal dat de Chinees dieren in de gerechten verwerkte die daar niet in thuishoorden: honden en katten. Dat is meteen wèl één van de bekendste broodjeaapverhalen in Nederland, die het al heel wat jaartjes goed doet, al staan ondertussen ook andere etnische restaurants regelmatig onder verdenking. In menige stad weten mensen een shoarma-tent aan te wijzen waar de moslims in de knoflooksaus staan te masturberen uit minachtig voor de klant. Laat ik het er gelijk even bij zeggen: het is nog nooit ergens aantoonbaar gebeurd. Zulk soort verhalen zijn niet gestoeld op concrete vermoedens, maar veel meer op latente angsten en vooroordelen.
Er bestaat niet echt een top tien van broodjeaapverhalen in Nederland, maar dit zijn er een paar die ik zelf regelmatig heb zien terugkeren:

- De Verdwenen Lifter: iemand neemt een lifter mee die even later plotseling is verdwenen. Het is iemand die daar al jaren terug is overleden door een verkeersongeluk. Als variant waarin de lifter een profetie doet over de terugkeer van Jezus op aarde, doet dit verhaal het goed onder protestanten.
- De Gestolen Grootmoeder: oma komt op vakantie in Spanje te overlijden en het gezin besluit geen aangifte te doen, maar haar lijk in de caravan te leggen en over de grens te smokkelen. De list lukt en opgelucht wordt er wat gegeten in een Frans wegrestaurant. Bij terugkeer blijkt de caravan met het lijk gestolen te zijn: nooit meer teruggevonden (en het gezin kon naar de erfenis fluiten).
- Het Hondje in de Magnetron: een oud dametje droogde haar natgeregende hondje altijd even in de heteluchtoven, maar nu ze een magnetron heeft gehad, blijkt het hondje niet tegen de microgolfstraling bestand: rook, brand, kai, kaboem! Ze wint evenwel een rechtszaak tegen de fabrikant, want er stond niet in de handleiding dat je je hondje niet in de magnetron kon doen. Dit gebeurde natuurlijk in Amerika.
- Welkom bij de AIDS-club: een Nederlands meisje krijgt aan het eind van de vakantie een doosje mee van haar Latin Lover: thuis pas openmaken. Er zit een dode rat in met een briefje: Welkom bij de AIDS-club.
- Batman in de Kast: bij de buren op leeftijd gaat een seks-spelletje mis. Na enige tijd worden ze bevrijd door de politie. De buurvrouw lag naakt en wijdbeens op bed vastgebonden. De buurman had, verkleed als Batman, van de kast op haar moeten springen, maar zakte helaas door de bovenkant van de kast en brak allebei zijn benen.
- De Smileybende: een groep Marokkaanse jongens geeft eenzame meisjes ’s nachts de keuze tussen een groepsverkrachting en een smiley. Als ze voor de smiley kiezen worden de mondhoeken van oor tot oor opengesneden.

Bestaat er een eerste broodje aap verhaal of is het dat het verhaal van het broodje aap zelf?

Het verhaal van het Broodje Aap is zeker niet het oudste broodjeaapverhaal. Het is in nevelen gehuld wanneer het eerste echte broodjeaapverhaal is ontstaan – deskundigen spreken liever van een moderne of hedendaagse sage trouwens. En dan begrijp je meteen wat het probleem is. Als je moderne sagen hebt, dan heb je ook traditionele sagen, en die willen nog wel eens naadloos in elkaar overgaan.
Ooit dachten we dat dit verhaal modern was: een man neemt een vrouwelijke lifter (verpleegster) mee, maar begint argwaan te krijgen als de vrouw wel erg behaarde armen heeft. Met een smoes laat de automobilist de ‘vrouw’ even naar een achterlicht kijken en rijdt dan hard weg. In ‘haar’ achtergebleven tas blijken een mes en een bijl te zitten. So far, so good, totdat er veel oudere versies opdoken over een boer, een paard-en-wagen en een vrouw die mee wil rijden. Ook zij blijkt een verklede moordenaar te zijn, en de boer weet wederom via een list tijdig te ontkomen. Met dit verhaal glijden we geruisloos terug de negentiende eeuw in.
Het kan nog veel gekker. Er is een verhaal waarin een man zijn baby bebloed aantreft en vervolgens ziet dat de hond een bebloede bek heeft. In blinde woede slaat hij de valse hond dood. Pas daarna vindt hij de doodgebeten rat in de wieg bij de baby. Achteraf bezien heeft de hond het kind verdedigd tegen de rat. Dit verhaal kunnen we echter terug traceren tot de oudheid, en in de middeleeuwen werd het verhaal al opgetekend in Wales als Llewellyn and His Dog Gellert.
We hebben vaak wel de illusie dat het fenomeen van het broodjeaapverhaal een naoorlogs verschijnsel is, maar op het niveau van motieven en thema’s kunnen we verhalen soms akelig ver terug in de tijd traceren.

Heeft u zelf wel eens een broodje aap verhaal de wereld in geholpen?

De enige reden dat ik dat nog altijd niet gedaan heb, is dat ik nog geen verhaal heb kunnen bedenken dat geloofwaardig en sterk genoeg is om te blijven leven en circuleren. Want ik zou best eens in de praktijk willen zien welke kanalen een verhaal gaat bewandelen, bij wie het aanslaat en hoe lang het verhaal levensvatbaar blijkt. Eigenlijk zou ik er een kettingbrief van moeten maken, zodat er sporen van vertellers in de mail achterblijven. Het sterkste wat ik ooit heb kunnen bedenken is: in Spanje weigert een gescheiden vrouw de hoofdprijs in de lotto te aanvaarden omdat haar man dan geen allimentatie meer hoeft te betalen – ze prefereert als het ware wraak boven rijkdom. Toch ben ik bang dat dit verhaal niet sterk genoeg is om te overleven, en heb ik het – puur uit wetenschappelijke belangstelling - nooit in omloop durven brengen. Ik weet van een student journalistiek die in 2004 voor zijn scriptie een zelfverzonnen broodjeaapverhaal probeerde te laten circuleren, maar het was zo’n warrig verhaal, dat het meteen doodsloeg.

Is een broodje aap verhaal altijd een gek verhaal?


Nee, gek is niet het juiste woord. Bizar, verontrustend, akelig, griezelig, raadselachtig, goor, op een grove manier grappig – dat zijn woorden die het karakter van een broodjeaapverhaal beter typeren, denk ik. Gek is eigenlijk al te afwijkend, en het verhaal mag niet teveel scepsis of wantrouwen oproepen. Voor bijna alle broodjeaapverhalen geldt: het is een bizar verhaal, maar het zou zomaar gebeurd kunnen zijn. Dat element van “het zou kunnen” moet het verhaal in zich dragen, want anders verliest het zijn geloofwaardigheid en valt het door de mand als verzinsel.

Zo ja waarom wordt het dan toch geloofd?

Het antwoord was dus nee: een broodjeaapverhaal mag wel een grens overschrijden, maar niet te ver gaan, want de verhalen danken hun bestaansrecht aan hun geloofwaardigheid. Het gaat om een kern van waarheid, maar die zit net nog een niveau dieper dan we vermoeden.

Zit er altijd een kern van waarheid in een broodje aap verhaal?

Nee, voor ongeveer 10% van de broodjeaapverhalen geldt dat er een kleine kern van waarheid in zit. Voor 90% geldt dus dat ze volkomen uit de lucht gegrepen zijn. Zoals ik net zei: toch zit er in elk broodjeaapverhaal een kern van waarheid, maar op een niveau dieper: de latente moraal. Elk verhaal brengt een wensdroom of angst, wraakgevoelen of vooroordeel tot uitdrukking. Zo is de onderliggende moraal van het broodjeaapverhaal over de Smileybende en de sperma in de shoarmasaus: zie je wel, ik dacht het altijd al, die Marokkaanse gasten (of: moslims) zijn niet te vertrouwen.
Veel broodjeaapverhalen komen mensen (vertellers en luisteraars) op een moreel niveau heel goed in de kraam te pas. Zie je wel, Jezus komt echt binnenkort terug op aarde. Zie je wel, ratten zijn onbetrouwbare rotbeesten en honden zijn de mens trouw tot in de dood. Zie je wel, bejaarden zijn ook gewoon te stom om met moderne electronica om te gaan. Of: zie je wel wat een achterlijk rechtssysteem die Amerikanen hebben? Die geven een oud wijf gelijk dat haar hond in de fik steekt. Zie je wel, gezonde Hollandse meiden moeten geen seks hebben met ongure Mediterrane types: van buitenlanders krijg je alleen maar ziektes. Hollandse meiden moeten zich concentreren op Hollandse jongens. Oh, en zie je wel: vieze oude mensen moeten helemaal geen seks hebben, daar krijg je alleen maar ongelukken van.
Dat zijn de waarheden die in onze broodjeaapverhalen verborgen zitten. Dit zijn de emotionele knoppen waarop onze broodjeaapverhalen bij ons drukken. En tot onze schrik moeten we vaststellen dat de moraal van nogal wat broodjeaapverhalen behoorlijk conservatief is. De mores van het eigen groepje worden veelal goedgekeurd, en al het afwijkende wordt op een verhulde en narratieve manier afgewezen.

Lenen deze verhalen zich beter voor verfilming dan andere verhalen?

Broodjeaapverhalen zijn al vaker voor televisie bewerkt, en een film als Urban Legend (1998) is een redelijk ijzingwekkende aaneenrijging van de griezeligste broodjeaapverhalen. De twee sequals beweren dat ook te zijn, maar ditmaal is het horror die het aanzien niet waard is. Broodjeaapverhalen zijn ook bruikbaar voor de literatuur: Roald Dahl heeft ze gebruikt en zelfs Harry Mulisch heeft er eens eentje in een roman verwerkt. In De Elementen (1988) wordt er een duiker door een blusvliegtuig opgeschept en boven een brandend bos losgelaten.
Broodjeaapverhalen hebben van nature vaak een sterke plot en appelleren bij velen aan onderbuikgevoelens, en dat zijn de redenen waarom ze zo goed weten te overleven. Maar laten we wel wezen: heel veel volksverhalen zijn het verfilmen waard. Sprookjes, sagen, legenden, mythen en moppen zijn ook veelvuldig gevisualiseerd (en in literaire werken te pas gebracht, zoals Lord of the Rings en de Harry Potter-reeks).

Moet je gek of geniaal zijn om broodje aap verhalen te bestuderen?

Ik denk dat geen van beide eigenschappen echt in je voordeel zijn. Ik ken maar één kenner van broodjeaapverhalen van wie ik vermoed dat hij gek is, maar dat is een oud-journalist. De in broodjes aap gespecialiseerde wetenschappers uit binnen- en buitenland die ik ken, zijn akelig normaal. Goed, de ene is misschien wat zweveriger (en sluit het bestaan van spoken niet uit) en de andere wat nuchterder (telt de varianten, meet de verspreiding, en legt het gebrek aan logica bloot, waarna hij verhalen tot broodjes aap verklaart). Ik zou geloof ik wel gek worden als ik alleen maar broodjeaapverhalen zou moeten bestuderen. Met veel genoegen wijk ik regelmatig uit naar de mop, de sage of het sprookje.